Nederlands - English
Poëzie van Rien van den Berg

Rien van den Berg draagt zijn gedichten voor

Bij de opening van mijn tentoonstelling in het gebouw van het Nederlands Dagblad in Barneveld (23-01-09) droeg Rien van den Berg, journalist bij het ND én dichter, een viertal gedichten voor die hij speciaal bij landschappen van mij heeft gemaakt.
Deze vier gedichten vormen een eenheid; er zit een welbepaalde volgorde in en er is een overkoepelend motto:
‘Bij deze openlijk gedroomd’.
De titels van deze gedichten zijn identiek aan de titels van de schilderijen.
Met vriendelijke toestemming van Rien van den Berg zijn ze hier samen met het ‘voorbeeld’ te lezen.

Bij deze openlijk gedroomd




 
Huis aan een splitsing
 
 


Er liep een man naar huis, hij zag de wegen
zacht afbuigen. De akkers hadden aardappels
voortgebracht , de dijk lag aan de zee alsof
een god daar net zijn lange luie been had

neergelegd – het land beschermend in de holte
van zijn knie. Zie: land in de naglans van dagen.
Af. Voorzegd en voortgebracht. De god was klaar
en rustte wat. Maar na het rusten? Wat dan?

En wat dan met het land? Wat met de berm,
de bloemen in de berm, de kever en de rat?

Wat met het pootgoed in de schuur, wat met
het opgekropte groen in de bomen?

De man ging langs het huis zonder de ramen,
stapte de weg op naar het dijklichaam.

 



 
Geploegde akkers
 


Het landschap is van steen, tijd loopt van links
tot waar ze stokt tegen de horizon, kapotslaat op
megalieten van bomen. Zeeuwse hunebedden.

Het huis daaronder is een graf. Hier loopt
geen boer de lange akkers af. Binnen stookt men
vergeefs het vocht uit de muren. Wacht.

Er schuift een reep ondenkbaar hard lichtgroen
in beeld. Hier ligt een ander landschap op de loer,
door haast geen sterveling opgemerkt, waaraan

een boer in vastbeslotenheid heeft doorgewerkt.
Dit is het graf van wat op hoop van zegen, op een dag
die jonger is dan dagen, gewekt wordt door de regen.

 


 
Zomerdag
 
 

Het land is verkaveld tot hier. Voorbij deze smalle repen beginnen
droom en hoop. Het land heeft ademnood van oogst. De zon
staat op zijn hoogst. Hier hangt een dankdag in de
trillende lucht, een dag waarop we vieren wat
ons in de schoot geworpen werd, met volle
glazen, de vrienden, de vruchten,
een lach en een viool – gewoon
omdat het zover is.

Omdat het eindelijk zover is.

Totdat het zover is
ligt het land verkaveld tot
hier. Maar er komt een dag, het is
bij deze openlijk gedroomd, voorbij de smalle repen,
voorbij het land, de zon, de oogst. Er hangt een dankdag in de lucht.

 


 
Klaprozenrood
 
 


Zeg mij wat hier gebeurt. Hier wordt geschapen
waar slechts een taal voor is die al geschapen
is. Hier leven dieren in. Vis, vogel, pissenbed. In
alles wat hier zonder weerga leeft zit ik, met huid

en hart. Maar zeg wat hier gebeurt, want zonder
scheppend woord is dit misschien een moord op
hart en huid, en overleeft geen pissenbed, vliegt
geen verweesde mus en zwemt geen Leviathan.

Zonder vuur blijven dit elementen. Hier worden
eeuwen in een hart gelegd, jawel, maar in een hart
van water, van wind en van steen. Want taal van

wat geschapen is doet herscheppen geen recht.
Nu. Spreek dan en schep mij sprekend bijeen.
Want alles is dat jij het zegt.